GSCF

Door Benjamin van der Velden

‘Adem diep in en adem uit, adem naar je voeten en laat je lichaam zwaar worden, laat je gedachten los en laat deze van je lijf glijden’. Met een ruk trek ik mijn oortjes uit en zucht: ‘Jij hebt best makkelijk praten lieve schat, achter je microfoontje’. Ik vind mijzelf liggend op de vloer van de kleedkamer. Ik weet dat het een hopeloze missie is om nu te vechten tegen gedachten als: ‘Wat bezielde je in godsnaam om hier aan mee te doen?’. ‘Wat zou er gebeuren als ik hem gewoon zou smeren’ en ‘oh god ik weet mijn eerste zin niet, dit gaat helemaal mis’. Daartegenover klinkt er een kalmere stem: ‘Jongen, dit kan je, hiervoor ben je gemaakt’, ‘Gast, stel je niet aan man, het wordt vanzelf tien uur’ en ‘lachen dit man, 750 idioten die een half uur naar jou hersenspinsels gaan luisteren’. 

Daar precies tussenin vind ik mijzelf. Een 26-jarige jongen die na vanavond zijn memorabel cv mag uitbreiden met ‘Finalist Groninger Studenten Cabaret Festival’  Wat tussen: VMBO-TL, full-time AH-groenteman, glazenwasser, bijrijder op een papier-vuilniswagen, MBO-gediplomeerd cameraman, toetsenist van all-hit coverband ‘Harrie’s Herrie’ en de Dijk tribute band ‘de Deik’, lopende band medewerker, huishulp in de zorg, conservatoriumstudent en pianoleraar toch een prominent plekje krijgt. Wanneer je zo’n cv op tafel gooit bij een willekeurige functie waar HBO/WO denkniveau vereist is, moet er toch een vorm van interesse gewekt zijn.  

Terug naar de kleedkamer. De regisseuse komt binnen. ‘Toi toi toi heh!’ Een ding in theaterland, er wordt geen succes gewenst want dat brengt ongeluk. Vraag me niet waarom, maar ik leer snel. De papiercontainer die ik altijd leegte van het plaatselijk theater in Ede was tot een half jaar geleden mijn enige ervaring met theater. Nog tien minuten voor de show. ‘Holy shit, ik ga dood‘ stamelde ik nog tegen de regisseuse en kijk naar mijzelf in de spiegel. De adrenaline stroomt door mijn lijf, koude rillingen tot mijn tenen en ik zie twee bloeddoorlopen ogen. Ik denk aan oud-klasgenoten, oud-collega’s, familie en vrienden, docenten die mij een sombere toekomst voorspelde en ontelbare momenten op feestjes waarop mij gevraagd werd: ‘Ben, wanneer ga jij een keer wat doen met je leven?’. Ik zie mijzelf om kwart voor zes ‘s ochtends over een verlaten industrieterrein fietsen. Ik zie mijzelf de overgangsnormering van het VMBO niet halen. Ik zie mijzelf tegenover een mentrix zitten die zegt: ‘Jongen, het wordt helemaal niks met jou’ en ik zie mijzelf gierend van het lachen in de cabine van een vuilniswagen zitten nadat de chauffeur ergens midden op de biblebelt zijn blote reet uit het raam duwt richting een groep lang gerokte dames. Ik glimlach en denk: best geestig ‘het leven’ en ik storm de kleedkamer uit.

GSCF – The Aftermath

Door Andries Tunru

Zaterdagmiddag, 15:00. Met alle wils- en spierkracht die ik bezit poog ik mijn ogen open te wrikken. Links lukt. Goed genoeg. Ik staar recht in het gezicht van een rondborstige blondine.

“Goedemorgen!”, zegt Doutzen. Haar hand glijdt soepel naar de elastiekband van mijn boxer. Optyfen. Eerst koffie. Ik draai me om om via de andere kant uit bed te klimmen, maar mijn elleboog raakt Yfke vól in haar oog. Oh ja. Die was er ook. Ze grijpt vloekend naar haar gezicht. Ik hoop stiekem dat het blauw wordt. Dan kan ik haar en haar tweelingzus tenminste uit elkaar houden. Whatever. Eerst kakken.

Het goud is koud aan mijn billen. Kleurt wel leuk bij mijn gesponsorde telefoon. Zeventien gemiste oproepen. Driemaal John de Mol. Zevenmaal Joop van den Ende. Vier buitenlandse nummers die ik niet herken, Dubai, Qatar. Godverdomme, hoe komen ze aan mijn nummer? Die klootzakken van de backoffice vliegen d’r allemaal vandaag nog uit. Ik grijp naar rechts. Nóg een tegenslag: de briefjes van honderd zijn op. Tyfus. Die van vijftig zijn gewoon nét te klein, maar het moet maar. Niet vegen is geen optie. Straks ruiken ze het vanavond, in de Ziggo Dome. Niet dat het de fans boeit: ze hebben 70 euro de man betaald, dus lachen zullen ze. En anders nog. De shows zijn alle tien al lang en breed uitverkocht.

Ik kijk naar voren, naar de foto tegenover de WC. 750 Groningse smoelen staan me ongemakkelijk aan te kijken. Ja, dáár begon het hele gezeik mee. Met die foto. De publieksprijs van het Groninger Studenten Cabaret Festival.

Zaterdagochtend. 6:00. Ik schrik wakker van mijn dagelijkse hartaanval. Het volumeknopje van mijn wekker is afgebroken, dus mijn wekgeluid is plusminus een Israëlisch luchtalarm. Wat wil je, van een wekker van de kringloop. Geld voor een nieuwe heb ik niet: zelfs HEMA is haute culture voor een cabaretier in spé. Links van me ligt mijn vriendin met halfopen mond ons Aldi-kussen onder te kwijlen. Ze draait, en haar elleboog raakt me vól in mijn oog. Alweer. Een tweepersoonsbed was fijn geweest, maarja: je moet zuinig met je vierkante meters omgaan als je d’r maar twaalf hebt.

De Euroshopper-oploskoffie smaakt me matig, de brokjes lossen niet goed op in het koude water. Ook mijn waterkoker is stuk, dus ik moet het doen met niet-bepaald-heet kraanwater. Ik kloek het toch maar achterover, ik heb haast. Een ontbijtoptreden bij de algemene ledenvergadering van modeltreinclub De Onbewaakte Overgang. Geen gage, wel “erg goed voor de exposure”. En ik mocht mee-ontbijten. Ik zucht, en trek mijn winterjas aan. Elk optreden is er één.

Het is, kortom, precies hetzelfde beeld als een half jaar geleden. Hetzelfde inkijkje in de wereld van een “aanstormend talent binnen het Nederlandse cabaret”. Een beeld van troosteloos geploeter in de marge.

Maar toch.

Als je goed kijkt ziet de kleine verschillen.
Dan zie je op het whiteboard de twaalf data van de finalistentour.
Dan zie je op de koelkast de groepsfoto van de lieve mensen van het bestuur.

Dan zie je op het bureautje boekjes vol nieuwe ideeën, grappen, gedachten.
Dan zie je om mijn mond een vage glimlach, omdat ik weer even terugdenk aan de finaledag.
Dan zie je een agenda met de eerste afspraken met fijne mensen met toffe plannen.
Dan zie je een net iets voller hoofd, waar regisseuse Audrey Bolder iets van haar wijsheid en kunde in ge-copy-paste heeft.
Dan zie je dat het beweegt, het borrelt, het bruist.
Dat we er nog niet zijn, maar er wel gaan komen.

En dan zie je aan de muur 750 breed lachende gezichten. De mooiste foto ter wereld. De publieksprijs van het Groninger Studenten Cabaret Festival.

Vriendenboekjesvoorspellingen

Door Selma Visscher

Iets meer dan een maand geleden speelde ik de finale van het Groninger Studenten Cabaretfestival in de Stadsschouwburg in Groningen. Na weken van voorbereiden, schrijven, pingelen op de piano, try-outs en werken met de fantastische regisseur Audrey Bolder, was dat het hoogtepunt. Mijn eigen verhaaltjes en liedjes spelen voor een uitverkochte stadsschouwburg in mijn eigen Groningen. Ik stond samen met de twee andere finalisten, Andries Tunru en Benjamin van der Velden, vol spanning het juryoordeel af te wachten in de coulissen. Het had niet mooier kunnen zijn; alledrie zijn we winnaars. Benjamin kreeg de persoonlijkheidsprijs, Andries de publieksprijs en ik kreeg de mooiste prijs, de juryprijs, mee naar huis.

Enkele dagen ervoor was ik samen met mijn broer Lars, die tijdens het festival de rol op zich nam van pianist en accordeonist, afgereisd naar Groningen. We liepen met accordeon en panfluit op zak naar de schouwburg, pratend over welke coltrui Lars het beste kon dragen tijdens het spelen. De schouwburg had ik al vaak genoeg gezien vanuit de ramen van mijn middelbare school die ernaast staat. Maar nog nooit had ik nerveus voor het gebouw staan te trappelen omdat ik daarbinnen zou mogen gaan spelen. Een paar rondjes liepen we rond het gebouw. Eentje om het te bewonderen, en de rest van de rondjes liepen we te zoeken naar de artiesteningang. Dat wist ik dan weer niet.

Ik was gedurende de halve finales plaatsvervangend zenuwachtig voor de andere halve finalisten en natuurlijk minstens zo zenuwachtig voor mezelf. Lars leek niet bepaald aangedaan door de spanning. Hij was op zijn dooie gemak alle dure pistachenootjes uit de artiestenfoyer aan het opeten. Alles wat hij niet opkreeg (lees: volle onaangebroken doosjes) stopte hij onverhuld in zijn tas. ”Voor thuis”. Ik was allang blij dat hij het naar z’n zin had.

De try-outs, die voorafgingen aan de halve finales leidden ons onder andere tot Antwerpen, de stad waar ik tot voor kort nog woonde. Ik woonde daar in een studentenhuis waar onder andere ook mijn Vlaamse exlief woonde, die voorkomt in de voorstelling en waar het ‘ik ben zo blij dat ik niet zwanger ben van jou’-liedje volledig op is geïnspireerd. Na het spelen van onze try outs kwam een aantal van de halve finalisten bij mij thuis. Allemaal stonden ze bij hem in de kamer, zijn naam en ‘jij bent het dus’ te roepen. Ik denk niet dat hij het me ooit vergeeft. Het enige dat ik jammer vond was dat hij niet was komen kijken.

Mijn naam. Een brei aan geklap. Lange en korte felicitaties, grote en kleine kusjes, handjes, knuffels. Audrey die mij vastpakte en met de nodige dramatiek zei ”Nu ben jij voor altijd de winnares van het dertigste GSCF”. Een journalist van RTV Noord kwam op mij aflopen. Of ik hier mijn beroep van wil maken, werd er aan mij gevraagd. Ik heb zomaar een antwoord gegeven, een antwoord dat ergens tussen in zweeft. Iets over spannende eerste stapjes, en dat ik nog wel zal zien waar die stapjes mij naartoe leiden. Maar de dagen en weken erop ben ik gaan nadenken over deze vraag. Ik herinner mij de ‘Wat wil je worden als je later groot bent-vraag” uit de vriendenboekjes op de basisschool. Een essentiële vraag, waar veel van af hangt, maar waar je als kind intuïtief op mag antwoorden. Ik antwoordde dan ook steevast; Bassie en Adriaan. Ik wil later als ik groot ben Bassie en Adriaan worden. En het liefste wilde ik clown worden. Mensen laten lachen. Nu ben ik pakweg 15 jaar ouder, en nog steeds is dat wat ik het gaafste vind; mensen laten lachen.

Ik laat mijn vriendenboekjesvoorspellingen los en vind mezelf voor de spiegel, mijn armen kruislings. Ik pak mezelf bij de schouders en ik declameer, zoals ik de afgelopen weken al zoveel keren heb gedaan; ”Nu ben ik voor altijd de winnares van het dertigste GSCF”.

Johan Goossens over het Groninger Studenten Cabaret Festival

Door: Johan Goossens – deelnemer 20ste GSCF (2006)

Het Groninger Studenten Cabaret Festival zal voor mij altijd bestaan uit Timon, Vera, Manon, Eveline, Hanneke, Ralf, Lars, Wouter en Marijn. Het bestuur van 2006.

Ze droegen witte pakken met een gouden logo en ze regelden alles van soundchecktijden tot chips in de kleedkamer. Soms was er veel te regelen (rond de finale), maar soms ook heel weinig en op een gegeven moment hadden we zelfs een hoofd cola inschenken. Het bijzondere was dat ze er ook in magere tijden wel altijd allemaal waren. Als één trouw, veelkoppig organisme. Bij elke lullige try-out zaten ze met zijn negenen achterin de zaal, in hun witte jasjes. Ze deden hun best om onbevangen hard om ons te lachen, al werd dat in de loop van de tournee natuurlijk ietsje minder, toen ze onze shows al tig keer hadden gezien.

Ze presenteerden ook de tryoutavonden en maakten ruzie over wie dat nu weer moest doen. Zelden heb ik mensen met zoveel tegenzin op het podium zien staan. Een keer werd ik aangekondigd met: ‘Zo dadelijk komt Johan Goossens. Willen jullie niet met je voeten op de rand van het podium gaan zitten? Want daar kan hij niet tegen. Gisteren werd hij daar heel boos over. Enfin, hier is hij…!’

Pas later besefte ik dat zij dit natuurlijk ook allemaal voor het eerst deden. Dat het Groninger Studenten Cabaret Festival afhankelijk is van elk jaar een nieuw enthousiast bestuur. Een bestuur dat in zeker zin het wiel opnieuw moet uitvinden, moet groeien in zijn rol, moet uitvogelen wat het beste werkt.

Het bestuur van 2006 deed dat met een enorme bak energie, plezier en toewijding.

Zoals ongetwijfeld de besturen voor en na hen.

Want eigenlijk is het best bijzonder dat dit estafettestokje elk jaar wordt overgegeven.

Van bestuur aan bestuur.

Van nieuwelingen aan nieuwelingen.

Al dertig jaar lang.

Johan Goossens

Nederland, Amsterdam, 7 maart 20¤4 Johan Goossens Foto: Merlijn Doomernik

We Deden Maar Wat (een WDMW’tje)!

Door: Michiel van Mens – oprichter GSCF

Ach….., we deden maar wat. Maar dat dan weer wel met enthousiasme en overgave! Of, om een uitspraak van Pipi Langkous te gebruiken: “Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan”.

Als dit een succesvolle ‘strategie’ zou zijn, dan had ik tijdens mijn studie Bedrijfskunde er vast en zeker wel iets over gehoord. Inmiddels ben ik 3e jaar student als ik aan het festival begin. Ik miste het enthousiasme en overgave van de dames en heren docenten en professoren. Dus deed ik ‘mijn’ studie er vooral ‘naast’. Zoals de meeste studenten een bestuur of activiteit naast hun studie doen. Ik had een idee, polste wat studenten en zo zijn we begonnen. Meer niet.

Ik vraag mij wel eens af, zou dit anno nu ook nog kunnen? Ik twijfel. In ‘mijn’ tijd had je geen PowerPoint of Excel. Het voordeel was weer wel dat wij geen powerpoint-presentaties hoefde te maken. En ook geen Excel-modellen om tal van business-cases door te rekenen. Dat scheelt een hoop tijd. Tijd dat je in veel zinvollere activiteiten kan  stoppen. Praten en zo! Heel veel praten.

Ik vraag mij wel eens af, zou dit vandaag de dag nog steeds kunnen? Dat je de Stadsschouwburg opbelt. Omdat je een afspraak wil met de directeur (in mijn tijd Jacques van Veen). En daar ga je dan met een paar mede-bestuursleden naar toe. Zonder een powerpoint-presentatie met vergezichten en ‘punten op de horizon’. En daar vertel je dan dat wij een cabaretfestival gaan organiseren. Maar dan alleen voor studenten. En dat verder niemand anders welkom is.  En dat wij daarvoor de kleine zaal van de Oosterpoort nodig hebben. Drie dagen lang! (Het werden er twee) O ja, er is geen geld, de kaartverkoop start pas volgend jaar.

Zou dat nog steeds lukken? Dat je een vestiging van de grootste bank van Nederland binnenloopt voor een afspraak met de directeur. Dat zij een cabaretfestival gaan sponsoren! Of het een succes wordt? Nou, dat hoop je natuurlijk van wel. Het enige dat je meeneemt zijn een paar A4’tjes. Daar heeft een mede-bestuurslid met stiften verschillende ‘visuals’ op getekend. Hoe het logo van deze bank er op het affiche van ons festival komt uit te zien. Maar als ze het anders willen, kan dat natuurlijk ook.

Wat denk je, gaat dat vandaag de dag nog steeds zo? Dat je tegen de directie van de Stadsschouwburg zegt dat je de kaartverkoop liever zelf wil organiseren. Jij weet tenslotte beter waar studenten uithangen. En dus, waar moet je zijn om die kaartjes te verkopen. Niet overdag natuurlijk, zeg je met een knipoog tegen de directeur. En dat ze je dan 100 rollen met toegangskaarten meegeven, goed voor een heel seizoen aan uitverkochte zalen. Dat achteraf blijkt dat er te veel kaarten zijn verkocht. (tja…geen Excel he….) Dat er elke avond van het festival te veel studenten naar binnen gaan.  Die dan maar op de trappen gaan zitten. Dat dit helemaal niet mag van de politie. Maar ja, er is nu toch niks meer aan te doen.

Kan dat nog steeds? Dat de hoofdredacteur van de Universiteit Krant opbelt. Met de vraag of ze over dit festival een bijlage mogen maken. Dat je daar geen bezwaar tegen hebt. En dat die bijlage uitkomt een week voordat de kaartverkoop start.

Dat er toen geen verstandige mensen rondliepen? Mensen die het beste met je voor hebben. Aardige mensen die het eerste bestuur deze onzin uit het hoofd kan praten. Tegen ons zelf in bescherming wil nemen? Deze aanpak kan niet werken. Want als het wel zo werkt….. tja, dan had ik er tijdens mijn studie Bedrijfskunde toch vast en zeker wel iets over gehoord?  Dan hadden de dames en heren docenten en professoren er ons wel iets over verteld. Dat je geen organigram nodig hebt om succesvol te zijn. Een paar kleurstiften en een leuk idee is soms meer dan voldoende. Dat je heel veel moet praten. En dromen. Het liefste een combinatie van deze ingrediënten.

Na al die jaren twijfel ik nog steeds. Waarom lukte het wel? Is het omdat het eerste bestuur is geholpen door geweldige mensen die wel wiste waar ze het over hadden? Is het omdat er een tweede bestuur kwam? En een derde, vierde en vijfde…..Of, en dat is niet denkbeeldig, dat er in mijn  tijd door de dames en heren professoren van de faculteit Bedrijfskunde vooral in de ‘verleden tijd’ is gesproken. Wat ook weer niet zo vreemd is voor een universiteit! Maar daar heb je soms niet heel veel aan. En ook niet al die jaren na je studie!

Ik hoop dan ook dat het curriculum van ‘mijn’ studie inmiddels is aangepast. En zo niet,…. dan wil ik je zeggen: doe maar wat! Maar doe het wel met overgave en enthousiasme!  Ik ga er morgen nog een boek over schrijven: “Trial & Error: your roadmap to succes”

Groet,

Michiel

Gat in de markt

Door Fleur van Ierschot

Het is vrijdag, 21 oktober 2011, we zijn in Enschede voor de generale repetitie van het 25ste Groninger Studenten Cabaret Festival.

Het is het laatste try out weekend in een tour van zes weken. Na een intensieve zomer, waarin wij – het bestuur – druk vergaderden in het pittoreske Lloret de Mar, en de deelnemers druk hun programma’s perfectioneerden, begonnen we vol spanning aan de try out tour. De weekenden in Utrecht, Arnhem, Den Haag, Antwerpen en Amsterdam waren stuk voor stuk een succes. Er verdwenen soms wat rekwisieten, de ene zaal deed beter mee dan de andere, en de technici lachten vooral om onze presentatie kunsten – maar de sfeer was altijd goed.

Inmiddels kunnen wij de deelnemers uittekenen en zij ons. Met een kleine tussenstop bij de MacDrive arriveren wij met de Groningse delegatie bestaande uit decorduwers, de lustrumcie en wijzelf in Enschede. Audrey – onze regisseuse – is er al en is het lichtplan door aan het spreken met de technicus. Ze vraagt hoe brak we zijn, we antwoorden ontkennend en installeren de acquarius en zakken chips in onze kleedkamer. Ter voorbereiding op het festival hanteren we namelijk de 3-4-5uur regel, dat refereert aan de tijden dat we naar huis moeten gaan na een voorstelling om scherp te blijven tijdens een meerdaags festival.

Yvonne, Jeroens Clan, Hiske, Vera, Iris en Jörgen komen een voor een aan met het openbaar vervoer (lang leven het studentenfestival). We eten met z’n allen om de hoek dankzij een goeie PR deal, nadat de laatste geluidschecks zijn geweest. De generale repetitie kan beginnen.

Teksten worden vergeten, decorstukken staan niet op hun plaats en het geluid hapert; het gaat helemaal volgens plan. We testen daarna het 3-4-5 plan uit, in het enige echte studentencafé in Enschede met de briljante naamGat in de markt’. Ons Gronings imago van een “voor- en door-studenten festival” hoog houdend, zitten we nu op 5u en 6u, dus ook dat gaat de goede kant op. Als klap op de vuurpijl ontdekken we een live Twitter scherm, wat aanleiding geeft voor onze enige verstuurde tweet van het jaar met de memorabele tekst: “GSCF is binnen”. Melancholisch sluiten we de avond af, zoals dat alleen bij het Groninger Studenten Cabaret Festival kan. We willen dat dit jaar, waarin we soms naïef, maar altijd vol enthousiasme in de theaterwereld rond mochten lopen, nooit zal eindigen.

Terug in het Concordia theater in Enschede, gaat zoals het hoort ook de tweede avond alles mis – dat belooft een mooi festival te worden.

Little did we know, dat een fantastisch festival en 5 jaren met veel nieuwe memorabele weekenden later er gelukkig weinig zou veranderen. Gefeliciteerd met deze 30e editie, hopelijk kunnen jullie over 5 jaar net zo nostalgische herinneringen blijven ophalen uit Groningen, en nieuwe blijven maken in Amsterdam.

Tot in oktober, wij zijn er lachend bij.

Fleur van Ierschot – voorzitter 25ste GSCF

Karburutjee

Door Robert Brouwer

Dertig jaar Groninger Studenten Cabaretfestival: dat betekent dat het al weer negenentwintig jaar geleden is dat ik winnaar was van de eerste editie. Op het gevaar af nu over te komen als een bejaarde die – meewarig aangestaard door de huidige generatie – met betraande ogen nostalgisch wegmijmert bij de herinneringen aan een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden in een jaar waarin de huidige organisatie van het festival ongetwijfeld nog niet eens geboren was, besef ik dat het opvallendste aan dit soort levensbepalende gebeurtenissen vooral is dat de herinneringen nog zo helder voor ogen blijven staan.

Als ware het gisteren…. (zei de oude man…)

Het was de eerste keer. Voor iedereen was alles nieuw. De organisatie moest het wiel volledig opnieuw uitvinden, en dat gaf een aangename hechte sfeer, weet ik nog, en ook een wat knullige onbeholpenheid in de uitvoering hier en daar, met improvisaties en ad hoc beslissingen. Enthousiasme was belangrijker dan professionaliteit.

Dat laatste gold overigens ook voor de kandidaten. Niet gehinderd door enige theateropleiding of talent in die richting hadden zich voornamelijk kandidaten uit de Groningse studentenwereld gemeld, en de optredens waren van wisselende kwaliteit. Zelf was ik per ongeluk binnen geloodst door de toenmalige voorzitter van het festival, die mij had zien optreden op een zelf georganiseerd festival, waar ik  – in paniek door het uitvallen van een kandidaat – besloten had zelf ook ‘iets leuks‘ te doen, om mijn eigen festival te redden.

Mmmh… Het klinkt nu allemaal iets te knullig, geloof ik, mijn beschrijving van die eerste editie. Er zaten ook zeker wel prima kandidaten tussen. Marnix Norder, kan ik me herinneren, tegenwoordig wethouder in Rotterdam, die met een sympathieke gitarist de sterren van de hemel speelde. Twee aardige dames, die licht geaffecteerd maar zeker daardoor niet minder lollige teksten oplepelden. En duo De Zwarte Strik, die een voorstelling hadden die zo gelikt in elkaar stak, dat het volkomen duidelijk was dat die zouden gaan winnen. Zelf had ik een verhaal, met allerlei diepere lagen en dubbele bodems, waar ik best trots op was, maar die achteraf gezien veel te ingewikkeld was. Het was mijn tweede optreden ooit, en voor een deel werd ik gezien als grappig omdat ik dingen deed die zo dwars tegen alle theaterwetten in gingen, dat het absurdistisch werd. Het gaat me te ver om nu te beweren dat ik onbedoeld grappig was, maar dat mijn onbevangenheid, de onwetendheid van iemand die echt geen idee heeft hoe sommige dingen op het publiek overkomen, een rol speelde in het feit dat ik won, weet ik wel zeker.

Ik schrok soms letterlijk van het lachen van het publiek, op totaal onverwachte en onbedoelde momenten, en reageerde daar dan weer onhandig op, wat blijkbaar ook weer grappig was. Mede daardoor duurde mijn programma 50 minuten in plaats van de voorgeschreven 25, en dat terwijl ik echt (nee, echt… dat zeg ik… echt) geoefend had met een eierwekker, thuis, en dan duurde mijn tekst steeds 25 minuten.

Nou ja, ik won dus, ondanks dat vrijwel iedereen in de zaal De Zwarte Strik beter vond, mezelf incluis. Ik won, volgens de jury, vanwege mijn ‘groeikansen’. En nu, dertig jaar later, ben ik de enige van die lichting kandidaten die nog steeds speelt, en er ook dertig jaar zijn beroep van heeft kunnen maken. Je zou dus kunnen zeggen dat de jury, achteraf gezien, gelijk heeft gekregen. Je zou trouwens ook net zo goed kunnen beweren dat de kans groot was geweest dat ik niet doorgegaan zou zijn als ik niet had gewonnen, en er een andere winnaar dan op dit moment een carrière van dertig jaar achter de rug zou hebben gehad – er zit namelijk nogal een verschil in aandacht die je krijgt als je eerste wordt, of tweede, dus mazzel is een niet te onderschatten factor in de cabaretwereld.

Overigens… voordat u nu denkt ‘Huh, een carrière van dertig jaar? Hoezo? Ik heb nog nooit van die gast gehoord…’. Ik heb gekozen voor een relatief anoniem circuit, de voorstellingen voor scholen in het voortgezet onderwijs. Mede door mijn achtergrond als leraar ben ik daar ingerold, en dat bevalt prima.

Als cabaretier voor jongeren wordt ik nogal eens ingezet bij de – hoe zal ik het zeggen – wat lastige groepen leerlingen. Zeg maar de jongeren die van huis uit niet zo snel in aanraking zullen komen met kunst en cultuur. Soms op schattige, kleine schooltjes in schattige, kleine dorpjes, maar ook op grote leerfabrieken in stedelijke achterstandswijken.

Onlangs speelde ik op een Rotterdamse ‘kutschool’ (citaat van zo ongeveer de eerste leerling die we daar spraken) en werden mijn technicus en ik weer eens geconfronteerd met de vlagen van weerstand die er soms kunnen heersen als wij drie uur voor de voorstelling een aula in willen om op te bouwen.

De conciërge was niet van plan om de stoelen, die nu keurig aan de tafels stonden gerangschikt, in theateropstelling te plaatsen. ‘De tafels weghalen?! Geen sprake van. Ze draaien de stoelen maar naar het podium toe.’ Toen wij besloten dan maar zelf de aula uit te ruimen, stuitten we op een paar weinig begripvolle leerlingen. Een grote, brede jongen maakte beslist geen aanstalten om op te staan.

‘Wat komt hier?’

‘Een cabaretier’, zei mijn technicus.

‘Een wat?!’

Even van slag dat dit blijkbaar een onbekend woord was, hakkelde mijn technicus iets over theatervoorstellingen, en probeerde het nog een keer met een goed gearticuleerde ‘cabaretier’. De jongen wierp een argwanende blik op de licht- en geluidsapparatuur en zei: ‘Karburutjee? Is dat een soort disc jockey ofzo?’

Na afloop van de voorstelling staken de meer onbevangen leerlingen spontaan een duim omhoog: ‘Leuke tentoonstelling, meneer!’ Het gros van de leerlingen sjokte de zaal uit zonder iets te zeggen. Onder hen de grote jongen die niet van zijn tafel had willen opstaan. Toen hij langs mijn technicus liep, vroeg deze of hij zich nog wat vermaakt had. ‘Mwoah’, mompelde de jongen, ‘was wel een grappige carburateur…‘

Ik doe dit soort voorstellingen nu dus al dertig jaar. Een tweeslachtig gevoel. Fijn, en tegelijk wreed dat ik bij elke nieuwe editie van het Groninger Studenten Cabaretfestival weer subtiel herinnerd wordt aan hoe belachelijk lang ik dit blijkbaar al doe. Ook de mails over het zoveelste lustrum drukken mij in al hun vrolijkheid op het verlopen der jaren. Elk lustrum van het festival is tegelijk een lustrum van mijn loopbaan… Pijnlijk, en tegelijk leuk. Goede herinneringen heeft het me opgeleverd, en goedbeschouwd heeft het festival een aanzienlijk deel van mijn leven bepaald.

Ik hoop dan ook oprecht dat ik eerder stop dan zij….

foto Robert 7.jpg